- lauweren
- lauweren1{{/term}}〈zelfstandig naamwoord meervoud〉1 lauriers 〈m., meervoud〉♦voorbeelden:1 lauweren behalen, plukken, oogsten • se couvrir de lauriers¶ op zijn lauweren rusten • se reposer sur ses lauriers————————lauweren2{{/term}}〈overgankelijk werkwoord〉1 couronner de lauriers♦voorbeelden:1 gelauwerd uit de strijd treden • rentrer de la guerre le front ceint de lauriers
Deens-Russisch woordenboek. 2015.